Hoe ontstaat pre-eclampsie
Inleiding
 

ONDERZOEK

Meedoen als vrijwilliger aan ons onderzoek. Ook als U zwanger was zonder problemen. Klik dan hier


Op dit moment zijn (nog) niet alle factoren die een rol spelen bij het ontstaan van zwangerschaps hoge bloeddruk, pre-eclampsie en HELLP bekend. Het is daarom nog steeds niet mogelijk om te zeggen waarom, wie en hoe men deze aandoeningen krijgt. 

Wel weten we dat bij het ontstaan van deze aandoeningen een aantal gezamenlijke oorzaken een belangrijke rol spelen. Je zou kunnen zeggen dat het erop lijkt dat HELLP syndroom de ernstige vorm van een ziekte is die als zwangerschaps hoge bloeddruk begint. 
Daarom behandelen we hier een aantal gezamenlijke oorzaken en risico factoren. 

Onderwerpen op deze pagina:
 
  

Veranderingen in de zwangerschap

Het afweer systeem

Erfelijkheid

Afwijkingen van de bloedsomloop

Andere afwijkingen

 

Vaatwandcellen

De moederkoek

Stollingsstoornissen

Stofwisselingsstoornissen

Antifosfolipiden syndroom

Toename van pre-eclampsie

 
 
Veranderingen in de zwangerschap 
 

Wist U dat:

Enkele malen per week een uur of meer wandelen of fietsen, waarschijnlijk zorgt voor een dusdanige verbetering van de conditie van hart en bloedvaten dat daardoor de kansen op problemen in de zwangerschap afnemen.


 

Vroeg in de zwangerschap, vinden er grote veranderingen plaats in het lichaam van de vrouw. Deze veranderingen hebben tot doel de omstandigheden voor innesteling van de vrucht en later groei en ontwikkeling van de baby zo goed mogelijk te laten verlopen. Als deze aanpassingen niet volgens schema verlopen, kan dat gevolgen hebben voor de gezondheid van moeder en de baby. 

Als eerste verslappen de bloedvaten waardoor ze wijder worden. Hierdoor dreigt de bloeddruk van de moeder te dalen. Maar dit wordt grotendeels voorkomen doordat het hart harder gaat pompen. De totale hoeveelheid vocht in de bloedvaten neemt toe. Om deze toename te laten plaatsvinden wordt o.a. extra zout en water vastgehouden. De hele bloedsomloop werkt daarna op een veel hoger niveau. De bloedvaten (en de bloedcellen) worden hierdoor veel zwaarder belast. Om de  bloedvaten te beschermen tegen deze belasting treden allerlei beschermingsmechanismen in werking. Het is waarschijnlijk dat deze bij pre-eclampsie tekort zijn geschoten. 

Ook het afweersysteem gaat anders werken. De baby en de moederkoek zijn wat erfelijk materiaal betreft voor de helft afkomstig van moeder en voor helft van vader. Ze zijn dus deels lichaamsvreemd. Het afweersysteem in de zwangerschap werkt zodanig, dat de moederkoek en de baby niet direct als lichaamsvreemd worden herkend. Om die reden wordt de moederkoek en de baby niet door het lichaam van moeder afgestoten. 

Het is op dit moment nog niet duidelijk, hoe deze veranderingen tot stand komen. Waarschijnlijk spelen de zwangerschapshormonen oestrogeen en progesteron  naast andere, nog onbekende factoren en stoffen, daarbij een rol. Maar wel is duidelijk dat deze veranderingen er voor zorgen dat er voldoende bloed (en dus voedingsstoffen en zuurstof) via de moederkoek naar de baby worden gebracht en dat tegelijkertijd de bloedomloop van de moeder zodanig wordt aangepast dat deze zelf geen problemen ondervindt.

 

 
De vaatwandcellen

Wist U dat:

Patiëntenverenigingen zoals de stichting HELLP syndroom en de Vereniging van ouder van couveusekinderen (VOC) veel informatie en begeleiding kunnen bieden


 

De cellen die de binnenkant van de bloedvaten bekleden spelen een grote rol bij het ontstaan van pre-eclampsie. Doordat deze cellen bij pre-eclampsie veranderen gebeurt het volgende: de bloedstollings neiging neemt toe waardoor stolsels kunnen ontstaan. De bloedvaten knijpen samen waardoor ze vernauwen en de bloeddruk stijgt.De bloedplaatjes gaan klonteren waardoor ook weer stolseltjes kunnen ontstaan die op hun beurt ook weer andere vaatwandcellen kunnen beschadigen. 
De kleine bloedvaatjes worden meer poreus waardoor microscopische openingen ontstaan en  vocht met eiwit kan weglekken uit de bloedvaten en oedeem ontstaat. 

De gevolgen van deze veranderingen zijn dat de bloeddruk omhoog gaat, dat er eiwitverlies in de urine ontstaat, dat er oedeem ontstaat dat zorgt voor dikke voeten,enkels, handen en gezicht. 

Door het klonteren van bloedplaatjes  ontstaan er stolseltjes, maar neemt ook het aantal bloedplaatjes af. Het lichaam beschermt zich tegen het ontstaan van thrombose (grote bloedstolsels) door stoffen te maken, die microscopisch kleine stolseltjes weer oplossen (de zogenaamde fibrinolyse). 

Doordat de bloedvaten samenknijpen zal de doorbloeding van een aantal organen
afnemen. Dit laatste gebeurt vaak in de nieren, lever en baarmoeder. Organen die minder goed doorbloed worden, kunnen hun functie minder goed uitoefenen. In de baarmoeder betekent dat dat de baby via de moederkoek minder voedingsstoffen en  zuurstof kan krijgen.

 

 
Het afweersysteem

 

 

Het afweer systeem zorgt ervoor dat lichaamsvreemde stoffen en bacteriën door het lichaam worden opgeruimd. De moederkoek, die voor genetisch gezien voor de helft van moeder en voor de helft van vader afkomstig is, is half lichaamsvreemd. Dit lichaamsvreemde zou betekenen dat normaal gesproken de moederkoek door moeder zou worden afgestoten. Gelukkig gebeurt dit niet. Het afweer systeem werkt tijdens de zwangerschap anders. Daarnaast is de buitenkant van de moederkoek als het ware omgeven door een soort "laklaag" die er voor zorgt dat het lichaam het niet als lichaamsvreemd herkent. Als deze "laklaag" beschadigd raakt kan het weer juist wel als lichaamsvreemd worden herkent. Waarschijnlijk vindt er bij pre-eclampsie een soort beschadiging plaats. Hoe en waarom dit gebeurt is niet echt bekend. Dit speelt echter wel een rol bij het ontstaan van pre-eclampsie. 

Dat het afweersysteem een rol speelt wordt ook duidelijk doordat in een tweede zwangerschap, waarbij het lichaam gedurende de vorige zwangerschap heeft kunnen wennen aan het lichaamsvreemde genetisch materiaal van de vader dat aanwezig is in de moederkoek, minder vaak pre-eclampsie voorkomt. Dit geldt echter weer niet als een tweede of volgende zwangerschap van een andere partner is. Omdat deze andere partner natuurlijk weer ander genetisch materiaal heeft.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat naar mate de vrouw langer een sexuele relatie met de vader heeft gehad en daarbij in aanraking is gekomen met zijn zaadcellen ( dus bij geslachtsgemeenschap zonder condoom of bij orale sex waarbij het zaad wordt doorgeslikt) zij minder kans loopt op het krijgen van pre-eclampsie. Dit bevestigt dat het afweer systeem een rol speelt.

 

 
De moederkoek (placenta)
 
 

De moederkoek speelt een  hoofdrol bij pre-eclampsie. Ten eerste komt het alleen voor bij vrouwen die zwanger zijn (en waarbij dus een moederkoek aanwezig is). Na de bevalling verdwijnt de moederkoek uit lichaam en daarna de ziekte meestal binnen +/- 2-3 dagen. Dus zonder moederkoek is er geen pre-eclampsie. 

Ten tweede is de verminderde werking van de moederkoek, die bij pre-eclampsie vaak optreedt de oorzaak van problemen bij de baby. De moederkoek functioneert namelijk als een doorgeefluik van voedingsstoffen en zuurstof van de moeder naar de baby toe. Achterblijven in groei, en soms ook zuurstof tekort worden veroorzaakt door de verminderde werking van de moederkoek. 

Waarschijnlijk wordt bij pre-eclampsie in het begin van de zwangerschap de moederkoek minder goed van bloed voorzien. Als gevolg hiervan kunnen de bloedvaten, die vanuit de baarmoeder naar de moederkoek lopen zich minder goed ontwikkelen. Hierdoor zijn ze kleiner dan normaal en zullen ze makkelijker samenknijpen. Hierdoor zal de moederkoek (en daardoor ook de baby) ook later in de zwangerschap minder goed van bloed worden voorzien. 

Het is nog niet exact bekend waarom precies de bloedvaten naar de moederkoek zich niet goed ontwikkelen. Het is ook niet duidelijk wat het verband is tussen de onderontwikkelde bloedvaten en de veranderingen in de cellen die bloedvaten van binnen bekleden. 

 

  Erfelijkheid
 
 

Er zijn families, waarin naar verhouding met hetgeen men kan verwachten, veel meer vrouwen pre-eclampsie krijgen. Het is bekend dat vrouwen wiens zussen en moeder pre-eclampsie hebben gehad, meer kans hebben om zelf ook pre-eclampsie te krijgen. Als een vrouw geboren is bij een moeder die tijdens diezelfde zwangerschap pre-eclampsie had, is de kans om zelf ook pre-eclampsie te krijgen zelfs nog groter. Hieruit blijkt dat erfelijke aanleg een rol speelt bij het ontstaan van pre-eclampsie. 

Hoe dit precies in zijn werk gaat is onbekend. Het is niet waarschijnlijk dat één gen als enige voor het ontstaan van de ziekte verantwoordelijk is. Want als dat het geval was, dan zou de kans om in de tweede zwangerschap pre-eclampsie te krijgen even groot zijn als in de eerste zwangerschap. Want in beide gevallen zou bij de vrouw het gen aanwezig zijn. En de ervaring leert dat kans om in de eerste zwangerschap pre-eclampsie te krijgen groter is dan de kans om in de tweede of volgende zwangerschap pre-eclampsie te krijgen. 

Wel zijn er een aantal aandoeningen die er toe kunnen bijdragen dat een vrouw pre-eclampsie krijgt. Sommige van deze aandoeningen zijn erfelijk. Het vaker optreden van pre-eclampsie bij vrouwen met zo'n erfelijke aandoening zou men dan "indirect" erfelijk kunnen noemen. 

 

  Stollingsstoornissen 
 
 

Het lichaam heeft een systeem van bloedstolling, afbraak van bloedstolsels en remmen van bloedstolling. Dit moet ervoor zorgen dat bloedstolling daar optreedt waar het nodig is en niet daar waar het niet mag. Het complexe mechanisme van de bloedstolling zorgt ervoor dat dit geregeld wordt.

Bij vrouwen met stollingsafwijkingen kan de neiging om bloedstolsels te maken verhoogd zijn.
Tijdens de zwangerschap zou dit problemen kunnen opleveren. Er kunnen namelijk minuscuul kleine bloedstolsels ontstaan die schade aanrichten aan de bloedvaten (van o.a. de moederkoek) en kunnen zorgen voor micro verstopping van de bloedvaatjes. Hierdoor krijgen delen van de moederkoek geen bloed meer. Tevens kunnen hierdoor stoffen vrij komen die de vaatwandcellen beschadigen, met als gevolg dat het ontstaan van pre-eclampsie wordt bevorderd. 
Aandoeningen waarvan bekend is dat ze mogelijk bijdragen aan het ontstaan van pre-eclampsie zijn: proteïne S en proteïne C tekorten en een verandering in een gen dat betrokken is bij de bloedstolling, de zogenaamde factor 5 Leiden mutatie. Omdat deze aandoeningen meestal geen klachten geven kan pas na specifiek laboratorium onderzoek worden vastgesteld dat er sprake is van deze stollingsafwijkingen.

Er zijn aanwijzingen dat een preventieve behandeling tijdens de zwangerschap met stollingsremmende stoffen, de kans op pre-eclampsie mogelijk verkleinen. Hoewel deze behandeling veilig is, zijn er wel nadelen zoals het ongemak van een dagelijkse injecties en blauwe plekken op de plaats van injectie. Daarnaast is nog niet aangetoond dat deze behandeling ook daadwerkelijk een verbetering geeft. 

Het is daarom heel belangrijk dat in een groot onderzoek dat momenteel in een aantal Nederlandse ziekenhuizen loopt (de FRUIT studie) vergeleken wordt of vrouwen die het medicijn krijgen beter af zijn dan vrouwen die het niet krijgen. Tot de uitslag van deze studie bekend is het moeilijk om uitspraken te doen over het wel of niet toepassen van deze behandeling.

 

  Afwijkingen van de bloedsomloop
 
 

Zoals eerder al beschreven, vinden er een aantal veranderingen plaats in de bloedsomloop van een zwangere vrouw. Het is inmiddels bekend, dat bij vrouwen die pre-eclampsie krijgen deze aanpassingen soms al heel vroeg in de zwangerschap anders dan normaal verlopen. De toename van de totale hoeveelheid vocht in de bloedbaan blijft bij deze vrouwen achter. Het lijkt erop dat als gevolg hiervan zullen de bloedvaten zich vernauwen om de bloeddruk op pijl de houden. Daarnaast wordt vaker gezien dat het hart meer liters bloed per minuut rondpompt dan normaal. Waarschijnlijk zijn de bloedvaten bij deze vrouwen ook "stijver" waardoor ze minder
makkelijk open kunnen gaan staan en zich aanpassen aan de veranderingen in de bloedsomloop. 

Het gevolg van beide verschijnselen is dat het bloed relatief snel door vernauwde bloedvaten wordt gepompt. Waardoor de vaatwandcellen eerder beschadigd zullen raken en pre-eclampsie kan ontstaan.Daarnaast zullen hierdoor eerder klonteringen van bloedplaatjes optreden waardoor weer stolsels kunnen ontstaan en pre-eclampsie eerder zou kunnen optreden. Het lijkt aannemelijk, dat deze verschijnselen van een verminderd bloedvolume, een verhoogde pompsnelheid van het hart en "stijvere" bloedvaten, de kans op hoge bloeddruk in de zwangerschap vergroot. 

Bij deze groep van vrouwen zou het mogelijk kunnen zijn dat een behandeling met aspirine in de zwangerschap een vermindering van de kans op pre-eclampsie geeft. Hetzelfde zou het geval kunnen zijn voor geneesmiddelen die de bloeddruk verlagen of het hart minder hard laten pompen. Voor beide behandelingen geldt dat deze nog experimenteel zijn. Ze zijn welliswaar veilig voor moeder en kind, maar het is nog niet aangetoond dat deze behandelingen ook daadwerkelijk nut hebben. Totdat verder onderzoek hierop het antwoord geeft is het dus moeilijk uitspraken te doen over de preventieve behandeling met deze geneesmiddelen. 

 

  Stofwisselingsstoornissen
 
 

Er zijn een aantal stofwisselingsaandoeningen die kunnen leiden tot meer kans op pre-eclampsie. 

Zo is bekend dat storingen in de koolhydraathuishouding een verhoogde kans op het krijgen van pre-eclampsie veroorzaken. Suikerziekte is bijvoorbeeld zo'n ziekte. Maar een verminderde gevoeligheid voor insuline, die ook kan voorkomen zonder suikerziekte te hebben, is ook zo'n aandoening. Een goede behandeling
van al bestaande suikerziekte is daarom erg belangrijk om de zwangerschap met zo weinig mogelijk problemen te laten verlopen. 

Ook afwijkingen in de vetzuurhuishouding zoals een te hoog cholesterol gehalte in het bloed kunnen bijdragen aan een hogere kans op pre-eclampsie. Een gezond dieet en eventueel behandeling van een te hoog cholesterol gehalte is daarom belangrijk. 

Een belangrijke stofwisselingsstoornis, die waarschijnlijk bijdraagt aan problemen in de zwangerschap, is die van een stof die methionine heet. Deze zogenaamde methionine stofwisseling verloopt bij sommige vrouwen anders dan normaal. Waardoor in verhoogde mate de stof homocysteïne in het bloed voorkomt (hyperhomocysteïnaemie). Wanneer dit het geval is bestaat er grotere kans op pre-eclampsie, thrombose en mogelijk op latere leeftijd ook op hart en vaatziekten. Op jonge leeftijd zal een vrouw meestal weinig merken van deze aandoening. 

Alleen door gericht onderzoek d.m.v. een methionine belastingstest, kan deze aandoening worden opgespoord. Door het gebruik van extra vitamines (vitamine B6 = pyridoxine en vitamine B11 = foliumzuur), kunnen mogelijk een aantal van de problemen die te wijten zijn aan een methionine stofwisselingsstoornis, voorkomen worden. 

Omdat deze stofwisselingsstoornis op latere leeftijd zeer waarschijnlijk bijdraagt aan een grotere kans op hart- en vaatziekten (hartinfarct, beroerte) is het te overwegen om bij deze aandoeningen ook buiten de zwangerschap deze vitamines te blijven innemen. 

 

  Het antifosfolipiden syndroom
 
 

Het anti fosfolipiden syndroom is een aandoening waarbij bepaalde anti-stoffen (die betrokken zijn bij het afweersysteem) in verhoogde concentraties voorkomen in het bloed. Dit kan men opsporen door hier gericht naar te zoeken. De meeste mensen maken deze stoffen niet in deze mate. 

Vrouwen met deze aandoening hebben een toegenomen risico op thrombose. Daarnaast vormt deze aandoening ook een probleem in de zwangerschap: miskramen en pre-eclampsie komen vaker voor. Het is waarschijnlijk dat een preventieve behandeling het verloop van de zwangerschap duidelijk gunstig beïnvloedt. Met andere woorden door deze behandeling wordt de kans op problemen in de zwangerschap zeer waarschijnlijk kleiner. De aanwijzingen hiervoor bij tal van wetenschappelijke onderzoeken zijn inmiddels zo sterk dat deze behandeling steeds meer wordt toegepast en dus niet echt experimenteel meer is. 

Overigens komt het anti fosfolipiden syndroom niet vaak voor.

 

  Andere afwijkingen
 
 

Naast de hiervoor genoemde groepen zijn er nog een aantal aandoeningen die minder vaak voorkomen, maar wel een rol kunnen spelen bij het ontstaan van pre-eclampsie. Voorbeelden hiervan zijn ziekten van het afweersysteem, aandoeningen van de schildklier (hyperthyreoidie) rheuma-achtige aandoeningen, nierziekten, niertransplantatie, hartziekten en sommige aangeboren afwijkingen van moeder. Ook bij sommige aangeboren afwijkingen van het kind (trisomie 13). Van deze afwijkingen is vaak nog niet in alle gevallen bekend hoe ze het ontstaan van pre-eclampsie beïnvloeden en of je er wat tegen kunt doen. In weer andere gevallen is er juist wel weer enige ervaring aanwezig en soms kan de zwangerschap het best in een gespecialiseerd ziekenhuis door een team van specialisten begeleid worden.

Bij specifieke ziekten of afwijkingen kan het verstandig zijn om al voor men zwanger wordt, hierover een gesprek met uw huisarts of gynaecoloog te hebben om te bespreken of er risico's zijn en eventueel maatregelen te treffen die ervoor moeten zorgen dat de zwangerschap zo goed mogelijk verloopt.

 

  Toename van pre-eclampsie

Wist U dat

Een hoog cholesterol gehalte niet goed is voor hart en bloedvaten en dus ook een verhoogde kans op pre-eclampsie kan veroorzaken


 

 

Gedurende de laatste jaren lijkt er een toename te zijn van het percentage vrouwen dat pre-eclampsie krijgt.
Door veranderingen in de samenleving is dat voor een deel te verklaren. 

Het aantal kinderen per echtpaar neemt af. Onder alle zwangeren zijn er daardoor relatief veel vrouwen die een eerste kind krijgen. Het is bekend dat in de eerste zwangerschap meer pre-eclampsie voorkomt. Meer vrouwen met een eerste zwangerschap betekend dus in verhouding meer vrouwen met pre-eclampsie. 

Daarnaast neemt de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen zwangerschap worden toe. Pre-eclampsie is voor een groot deel een ziekte van bloedvaten. De kwaliteit van onze bloedvaten neemt helaas met het toenemen van de jaren ook af, waardoor makkelijker pre-eclampsie kan ontstaan. Dit betekent dus ook meer pre-eclampsie. Naarmate men ouder is neemt de kans op een meerling toe. Bij meerlingen is er vaker pre-eclampsie. Met de leeftijd neemt ook de vruchtbaarheid af. Er zullen dus meer vrouwen zijn die zwanger worden na een vruchtbaarheid bevorderende behandeling. Bij deze behandelingen ziet men ook vaker meerlingen en dus ook vaker pre-eclampsie. 

Daarnaast speelt wellicht ook een vettere voeding (cholesterol) door toegenomen welvaart en meer gebruik van fast food een rol bij het krijgen van pre-eclampsie. Over de rol van milieuvervuiling en schadelijke stoffen in het milieu is weinig bekend. Men kan dus op dit moment niet zeggen dat dit een duidelijke rol speelt.
 

 

 

 

 ©  Perinatal research institute Maastricht
De medewerkers van deze website gaan uiterst zorgvuldig te werk bij de samenstelling hiervan. Toch sluiten wij iedere aansprakelijkheid uit voor eventuele gevolgen van het handelen op grond van de informatie of adviezen die U op deze website aantreft. Bij medische problemen is het raadzaam allereerst uw eigen arts te consulteren. Alvorens U aan de inhoud van deze site consequenties verleent, dient U eerst een en ander met uw eigen arts te overleggen. De inhoud van deze website vormt geenszins een vervanging van een consult bij uw eigen arts. Deze website is geoptimaliseerd om bekeken te worden met een resolutie van 1024 x 768 in zowel Netscape Navigator® als Internet Explorer®.